Het werkgebied van Makelaardij Klavertje Vier beslaat in grote lijnen het westelijke deel van de huidige gemeente Het Hogeland en  de gehele gemeente Westerkwartier. Uiteraard ben ik je ook buiten die grenzen graag van dienst.

Leens

Leens ligt geologisch op nieuwe kweldergronden, die in de negende eeuw bewoond zijn geraakt. Op de hoogste kwelderruggen werden rijen wierden gebouwd, die de huizen en akkers tegen hoogwater beschermden. Leens ligt halverwege een wierdenrij die begint bij Wehe en eindigt voorbij van Vierhuizen, waar enkele wierden in de Lauwerszee zijn verdwenen.

De Leenster parochie werd waarschijnlijk omstreeks 800 gesticht door de heilige Liudger, de zogenaamde 'Apostel der Groningers', of door een van zijn opvolgers. De kerk fungeerde als centrum van het decanaat, later de proosdij De Marne. Hiertoe moet aanvankelijk ook het Humsterland hebben behoord. Toen later de Lauwerszee doorbrak, werden de banden met het gebied ten zuiden van het Reitdiep doorgesneden. De dorpen van de Marne sloten zich aan bij Hunsingo. De naam Leens komt in de oudste kloosterregisters niet voor. De oudste vermeldingen zijn Lindenge (1224) en Lydenze (1381).

Ulrum

Ulrum ligt op twee wierden. Op de ene staat de romano-gotische kerk van Ulrum (eind twaalfde eeuw, deze is nadien enige malen vergroot) en bij de andere wierde lag de Asingaborg. Op het oorspronkelijke borgterrein werd in 1988 een park geopend. In 1901 werd de Gereformeerde kerk gebouwd. Ulrum was vroeger een welvarend dorp met veel middenstanders en kleine bedrijven.

Het dorp Ulrum is bij velen bekend vanwege de Afscheiding in 1834. Dominee Hendrik de Cock kon zich niet verenigen met de vrijzinnige opvattingen en manier van preken in de Nederlandse Hervormde Kerk. Veel eenvoudige, ongeletterde mensen uit het dorp en de omgeving, zelfs van heinde en ver, kwamen vol interesse naar zijn preken luisteren. Na vele waarschuwingen, boetes, inkwartiering van dragonders (soldaten), schorsing en afzetting besloot hij samen met de kerkenraad om tot Afscheiding over te gaan.

Zoutkamp

De eerste vermelding van de plaats dateert uit 1418, toen een inwoner van Soltcampum werd genoemd. De betekenis van de naam duidt mogelijk op de winning van zout uit het buitendijkse zoutveen. Een 'kamp' is een omheind stuk land. Deze zoutwinning zou, net als bijvoorbeeld bij Kommerzijl, te gronde zijn gegaan door de Tachtigjarige Oorlog. Zoutkamp lag op een strategische plek aan de monding van het Reitdiep in de Lauwerszee. Tot de gereedkoming van het Eemskanaal in 1876 was dit de enige toegang tot de stad Groningen vanaf zee. In oktober 1589 zeilde Willem Lodewijk met 400 man vanuit Oostmahorn naar Soltkamp en wist deze plaats te veroveren tijdens de Slag om Zoutkamp. Zoutkamp was een militaire versterking waar vooral soldaten leefden.

Tot 1877 had het dorp een veerverbinding over het Reitdiep. In dat jaar werd het Reitdiep tussen Zoutkamp en Nittershoek afgesloten met de Provinciale dijk met daarin de Groote Provinciale sluis, die de bijnaam 'Poort tot Groningen' kreeg. Friesland kreeg in verband met de eigen waterhuishouding in dezelfde dijk de Friesche sluis ernaast als afsluiting van de Lauwers. Dankzij de Reitdiepsluis had het dorp een verbinding met de andere zijde in de vorm van een brug. Hierdoor verminderde het isolement van het dorp. De buitenhaven bestond uit de havenkades het Korte heufd en het Lange heufd. Hier lagen de vissersboten en vertrok later ook de veerboot die via Oostmahorn naar Schiermonnikoog voer.

Houwerzijl

De oudste vermelding van de plaatsnaam Howersile is uit 1375.  De naam is waarschijnlijk ontleend aan het wierdedorp De Houw bij Leens. Hij komt mogelijk van het Oudfries howa, dat 'hoeve', 'aandeel in een hoeve of gemeenschappelijk land' betekent, hier in combinatie met het woord zijl ('sluis'). Houwerzijl ligt in het verlengde van het vroegere grondgebied van De Houw.

Houwerzijl heeft zich al vroeg tot een handelshaventje ontwikkeld. In 1422 was er sprake van een militaire versterking. In het dorp heeft men funderingen van middeleeuwse stenen gevonden. Ook woonden hier ooit zeelieden en vissers. De visser Gerleff Reindes zou in 1628 een paling hebben gevangen van meer dan twee meter, waarover veel te doen was geweest, omdat de stad Groningen meende dat haar vissers het alleenrecht hadden. Sinds de 16e eeuw had het dorp een eigen korenmolen en tot 1780 een houten klokkentoren met een uurwerk, zo'n 300 meter ten zuiden van het dorp, die vermoedelijk als tevens scheepvaartbaken fungeerde.

Niekerk

Dit dorp is gelegen halverwege de plaatsen Zoutkamp en Ulrum. Er loopt een (voormalig) kerkpad tussen het dorp en Houwerzijl. Het dorp, de naam betekent nieuwe kerk, heeft een kerk uit de 13e eeuw. De toren stamt echter uit 1629 en is waarschijnlijk grotendeels met geld van de Zilvervloot gebouwd. Door deze plaats loopt de Europese wandelroute E9, ter plaatse ook Noordzeepad of Wad- en Wierdenpad geheten.

Zuurdijk

Zuurdijk ligt in het zuiden van de oude landstreek en het voormalige eiland De Marne tussen Houwerzijl, Leens, Warfhuizen en het Reitdiep. Het dorp is naar inwonertal een van de kleinste dorpen van de gemeente, maar gemeten naar lengte een van de grootste. Eigenlijk bestaat het dorp uit drie kernen. Om ze van elkaar te onderscheiden worden ze officieus genummerd. Het meest westelijk ligt de eerste Zuurdijk. Dit is de grootste kern, waar de kerk (met de bekende meerman als windwijzer), het café en de molen De Zwaluw (8-kantige bovenkruier uit 1858) zich bevinden. Ongeveer een kilometer naar het oosten bevindt zich de tweede Zuurdijk, (1e Nijhoezen) een verzameling karakteristieke Groninger arbeidershuisjes. De derde Zuurdijk (2e Nijhoezen), weer wat oostelijker, bestaat uit wederom een verzameling arbeidershuisjes en enkele grotere boerderijen. Onder Zuurdijk valt ook het westelijker gelegen gehucht de Ewer.

Lauwersoog

Is na 1969 ontstaan, na de indijking van de Lauwerszee tot het Lauwersmeer. Lauwersoog is vooral bekend als vertrekplaats van de veerdienst naar Schiermonnikoog. Lauwersoog is een belangrijke vissershaven (lettercode: LO) en heeft een eigen visafslag. Een gedeelte van de vissersvloot van Urk (met lettercode UK) heeft als thuishaven Lauwersoog. Ook veel Deense vissers leggen regelmatig aan in Lauwersoog. Het dorp en de haven zijn zeer geliefd bij dagjesmensen, ook vanwege de mogelijkheden om verse vis te eten.

Vierhuizen

Vierhuizen ligt pal aan de slaperdijk van de voormalige Lauwerszee en was tot 1927 een vissersdorp, net als het 2½ km zuidelijker gelegen Zoutkamp. De oudste vermelding van de naam Vierhuizen dateert uit 1525. De plaats heeft zijn naam te danken aan de vier stenen huizen die er toen stonden. Door de aanleg van de Kerkvoogdijpolder verloor het die betekenis. Deze polder sloot het "gat" dat bestond tussen de noordelijk gelegen Westpolder en de zuidelijke Panserpolder. De Panserpolder is overigens genoemd naar de gelijknamige borg die tot 1769 bij het dorp hoorde. Tegenwoordig is het de naam van een boerderij twee kilometer ten zuiden van het dorp. Tussen het dorp en deze boerderij is nog een fraai kerkpad aanwezig. Aan de rand van het dorp staat de korenmolen De Onderneming uit 1858. De kerk van Vierhuizen is van oorsprong een tufstenen kerk die stamt uit de middeleeuwen.

Hornhuizen

Het dorp ligt in de uiterste westhoek van de voormalige gemeente Kloosterburen. Hornhuizen is vermoedelijk ontstaan als een dochternederzetting van het verdwenen dorp De Houw in het kerspel Leens. De oudste vermeldingen zijn Howerahusum(1247), Horahusum (1375), Horhusum (ca. 1475) en Hoerhusen (1563). Hornhuizen betekent waarschijnlijk 'de nieuwe huizen van De Houw' en dus niet: 'huizen in de hoek' (horn), zoals veelal wordt gedacht. Volgens een andere uitleg zou de naam het Oudfriese woord hore ('slik') bevatten. De Kroniek van Bloemhof vermeldt dat in 1247 de kerk van Howerahusum werd platgebrand. Dit gebeurde kennelijk in het kader van een jarenlange vete in Hunsingo, waarbij de ene partij (uit Eenrum) steun kreeg uit Groningen en Middag-Humsterland, terwijl de andere (uit Uithuizen) kon rekenen op hulp uit Fivelingo, Drenthe en Vredewold.

Het heeft een 19e-eeuwse kerk met een 15e-eeuwse toren. In de 19e eeuw is de top van de toren vervangen door een zogenaamde `lantaarn.' In vroeger tijden heeft de toren wellicht dienstgedaan als baken. Vroeger stond er bij het dorp een borg: de Tammingaborg. Deze is in het begin van de 19e eeuw gesloopt.

Kruisweg

Kruisweg ontstond in de negentiende eeuw als woonplaats voor arbeiders die in de nieuwe polders gingen werken. Het werd oorspronkelijk Uilennest genoemd, naar een van de grote boerderijen in de omgeving. Nest heeft in het Gronings echter een vrij negatieve betekenis. Mede daarom koos de gemeenteraad van de voormalige gemeente Kloosterburen in 1923 voor de huidige naam. De naam verwijst naar de oorspronkelijke betekenis van het woord kruisweg, namelijk kruispunt, omdat het is ontstaan op een kruispunt van wegen, namelijk waar de weg van Kloosterburen naar Hornhuizen de weg van Leens naar de kust kruist. Het naar de plaats genoemde Uilenestermaar behield overigens wel zijn 'oude' naam.

Kloosterburen

De naam verwijst naar de twee kloosters die hier vroeger hebben gestaan, Oldeklooster (gesticht rond 1175) en Nijenklooster (1204), beide behorende tot de orde der Premonstratenzers. Na de Reductie bleef alleen de kloosterkerk van het Oldeklooster over, die in handen kwam van de protestanten. Deze kerk werd in de 17e eeuw vervangen door een nieuwe kerk, die echter gesloopt werd in 1815. In 1843 werd de huidige kerk van Kloosterburen gebouwd, een jaar nadat er een katholieke kerk verrees. Kloosterburen is een van de katholieke enclaves op het Hogeland dat voor de rest gereformeerd of hervormd is. Het is samen met Ter Apel de enige plaats in Groningen met een eigen carnavalsvereniging.

Molenrij

Molenrij ligt op een kwelderwal aan het Molenrijgstermaar. De kwelderwal werd later verhoogd tot een dijk, die na de aanleg van latere dijken weer werd afgegraven. Het dorp is ontstaan rond een tweetal molens die hier stonden nabij de maar. Molenrij vormde vroeger een laad- en losplaats voor agrarische producten uit omtrek. De huidige Hoofdstraat vormde lange tijd een grindweg, die in 1875 werd voorzien van klinkers. In het dorp bevond zich vroeger een cichorei- en mosterdfabriek (bekend van de Marnemosterd) aan het einde van het huidige Mosterdpad. Verder bevond zich er onder andere een leerlooierij.

Het haventje van Molenrij en de aangelegen arbeidershuisjes stond vroeger lokaal ook wel bekend als Balkan, als referentie aan de vele conflicten die bewoners (met uitgebreide gezinnen) onderling hadden over de beperkte ruimtes bij de kleine huisjes. Tegenwoordig is het een recreantenhaven die alleen nog dient voor de pleziervaart.

Kleine Huisjes

Dit kleine dorp, ongeveer anderhalve kilometer ten noordoosten van Kloosterburen, is in de 19e eeuw ontstaan. De huisjes werden bewoond door landarbeiders die voornamelijk werkten in de toen ontstane (kwelder)polders, de Bokumerpolder, de Ikemapolder en de Negenboerenpolder, alle ten noorden van het dorp. De bij de polders horende boerderijen zijn: Oud Bokum, Nieuw Bokum, Ikema en Feddemaheerd. Eind 2018 was Kleine Huisjes landelijk in het nieuws. Dat kwam door de Kersttoespraak van Koning Willem Alexander.

Broek

Is een gehucht in de gemeente Het Hogeland in de Nederlandse provincie Groningen. Broek is gelegen aan de weg van Eenrum naar Kloosterburen. Vanuit Broek loopt ook een weg naar Pieterburen. Broek is de naamgever van het kanaal het Broekstermaar, waarover de brug (of til) de Broekstertil is gelegen. Op oude kaarten komt de naam incidenteel ook voor als Lutjebroek (lutje = klein). De plaatsnaam Broek duidt op drassig land.

Pieterburen

“Paiderboeren” is genoemd naar de kerkpatroon Sint Pieter oftewel de apostel Petrus. Het eerste officiële stuk over het dorp stamt uit 1371. Deze in het Latijn geschreven oorkonde, met de titel 'Parochiani Sancti Petri', gaat over nieuw ingedijkt land 'nova terra'.  

Vanaf de veertiende eeuw stond er buitendijks op een zandplaat op het Wad, een borg genaamd 'Huis Ten Dijke'. Deze borg, ook wel Dijksterhuis genaamd heeft ongeveer 5 eeuwen lang zijn stempel gedrukt op het dorp Pieterburen en het dorpsleven. De borg stond tot 1903 even ten noorden van het dorp. Een restant van het oorspronkelijke borgterrein is nog steeds in het landschap terug te vinden in het erf van de ten westen van de borg in 1857 gebouwde boerderij Ten Dijke.

Naast de oude Petruskerk, is het gerestaureerde tuinhuis, dat dateert uit 1710, nog steeds in gebruik. Rondom de kerk en het tuinhuis is de oudste botanische tuin van Nederland “Domies Toen” te vinden.

Tegenwoordig is Pieterburen ook het startpunt voor vele waddenwandelingen en van de 498 km lange afstandswandeling LAW 9 “het Pieterpad” naar de St. Pietersberg nabij Maastricht. Daarnaast is het ook bekend vanwege de aldaar gevestigde Zeehondencreche.

Warfhuizen

Warfhuizen bestaat uit twee kernen op twee wierden die onderdeel vormen van de oude kwelderrug die van Warfhuizen via Zuurdijk en Ewer naar Panser liep. De wierden werden ergens in de middeleeuwen (voor 700) aangelegd aan weerszijden van een kreek die afwaterde op de monding van de Hunze en later werd vergraven tot het Warfhuisterloopdiep, die het Mensingeweersterloopdiep en de Kromme Raken verbindt met het Hunsingokanaal als oude trekvaart tussen Ulrum en Groningen. De noordelijke en grootste wierde, oorspronkelijk Werfhusen, bevat de oude kerk (het huidige Mariaheiligdom en de kluis) en de eigenlijke dorpskern. De kleinere en zuidelijke heet Burum en ademt als buurtschap nog steeds de sfeer van vroeger tijden uit. In 1398 komt het dorp voor het eerst voor in de annalen.

Warfhuizen had vroeger twee borgen, beiden gelegen aan zuidoostzijde van het dorp. De oudste was de Gaykingaborg (Huis ter Borgh), die rond 1280 werd gebouwd ten zuidoosten van Burum en rond 1580 door haar strategische ligging nabij het Reitdiep betrokken raakte bij de Tachtigjarige Oorlog. De Gaykingaborg wordt na 1717 (het jaar van de Kerstvloed) niet meer genoemd en zal waarschijnlijk zijn vervallen. Van de restanten werd in 1789 de boerderij Ter Borg gebouwd, die in 1886 werd vernieuwd en nu een rijksmonument vormt. De ander was de borg Lulema, die voor het eerst werd genoemd in 1654. In 1823 werd de borg op afbraak verkocht en in 1841 werden de fundamenten verwijderd.

Ten oosten van Warfhuizen ligt het riviertje de Kromme Raken, dat een onderdeel is van het stelsel van kleine waterwegen dat in Noord-Groningen "het marengebied" wordt genoemd. De maren zijn bij toeristen populair vanwege de mogelijkheden om er te kanoën. Ten noorden van Warfhuizen staat een oude luchtwachttoren. Ten westen liggen de buurtschappen Douwen en 't Stort. Ten zuiden ligt de buurtschap Roodehaan, waar een camping is gevestigd. Ten noordoosten van Warfhuizen ligt een verwilderde appelboomgaard die Abelstok vernoemd is naar de Abelstokstertil en het bijbehorende volksverhaal.

Wehe-den-Hoorn

In Wehe stond eerder het gemeentehuis van de gemeente Leens, waartoe dit dorp van 1811 tot 1990 behoorde. Het dorp bestaat uit twee delen: 1) Wehe, rond de wierde; en 2) Den Hoorn, langs het kanaal de Hoornse Vaart

Even ten noorden van het dorp stond tot circa 1831 de borg Borgweer of de Starkenborgh, de woonstede van de familie Tjarda van Starkenborgh Stachouwer. In de voormalige hervormde kerk van Wehe zijn hiervan herinneringen te vinden, zoals wapenschilden en een grafkelder. De prachtige, monumentale boerderij Borgweer werd rond 1843 aan het begin van de oprijlaan gebouwd.

Niet alleen bestaat het dorp uit twee delen, de bevolking is ook verschillend van geloof. Wehe is overwegend hervormd, net als het overgrote deel van het Hogeland. Het in de 16e eeuw reeds genoemde lintdorp Den Hoorn is een katholieke enclave, en als zodanig de oudste rooms-katholieke parochie van de streek. Ze werd in de 17e eeuw als schuilkerk gesticht door de jonker van de Lulemaborg te Warfhuizen, die hardnekkig weigerde de reformatie aan te nemen.

Eenrum

Eenrum ligt grotendeels te midden van akkers en weilanden. Aan de westkant ligt ’t Aagt, een restant van een oude zeearm van de Hunze, ofwel het Reitdiep.

Aan de rand van het dorp bevindt zich een arboretum. Deze tuin is het levenswerk van notaris Smit uit Eenrum, vandaar de naam 'Notoarestoen'. De plantencollectie in de Notoarestoen bestaat uit 400 uitheemse bomen en 600 soorten rododendrons. In 2018 bestond de Notoarestoen 50 jaar. Direct naast het arboretum, in het Eenrumerbos, groeien 4 soorten wilde orchideeën, tevens zijn er ijsvogels gesignaleerd. Er is een paddenpoel en in de zomermaanden wordt een deel van het bos begraasd door Groninger blaarkoppen. In de omgeving leven vossen en reeën.

Saaxumhuizen

Hoewel het nog geen twintig huizen telt heeft het dorpje wel een kerk uit de dertiende eeuw. Het kerkje is in de negentiende eeuw gepleisterd, zodat de oorspronkelijke bakstenen(kloostermoppen uit Aduard) niet meer zichtbaar zijn. Het torentje bij het kerkje is te beklimmen en biedt uitzicht over het Hogeland.

Mensingeweer

In Mensingeweer zijn drie bruggen, de Westerbrug in de Eenrumerweg, een hoogholtje en de Leitil aan de oostzijde van het dorp in de provinciale weg. Op de plek waar nu de Westerbrug ligt, was voor 1853 een vaste dam. Dit was tevens het einde van de trekschuit vanaf Groningen. Wie verder wilde kon hier overstappen op de schuit naar Ulrum. Het is nog steeds duidelijk te zien dat het kanaal ter plekke van de brug een klein slingertje maakt – de beide kanalen (nu het Mensingeweersterloopdiep) lagen niet geheel in elkaars verlengde. De naam betekent waarschijnlijk: de weer (wierde) van Menze (= persoonsnaam).

Schouwerzijl

Schouwerzijl is genoemd naar de zijl (spuisluis) in de Kromme Raken en de nabijgelegen wierde Schouwen. Rond de sluis is een dorp ontstaan, terwijl op de wierde waarnaar het dorp is genoemd slechts een enkele boerderij is overgebleven. Deze boerderij wordt vanouds Vledderbosch genoemd; oorspronkelijk bevond zich hier een voorwerk van het Oldeklooster te Kloosterburen.

Het Schouwerzijlvest is vermoedelijk in het begin van de 13e eeuw ontstaan door het afdammen van de Hunze, die eerder voorbij Pieterburen in de zee stroomde.

De sluis van Schouwerzijl wordt voor het eerst genoemd in 1371 als acqueductui in Schuwum (Schouwen) Dit is een meervoudsvorm van 'schouw, vaartuig, voetveer'. Schouwen betekent dus 'de plaats waar men zich liet schuiven, dat wil zeggen overzetten'. Eerder bevond zich hier kennelijk een oversteekplaats over de Hunze of het Reitdiep. Mogelijk betrof dit het latere veer bij Roodehaan.

Baflo

Baflo is gebouwd op en rond een wierde op de oude kwelderwal op de oostelijke oever van de vroegere loop van de Hunze en maakt deel uit van de wierdenreeks die loopt vanaf Sauwerd via Winsum en Baflo naar Warffum. De wierde van Baflo vormt een dubbelwierde met die van Rasquert. De Baffelder wierde dateert van omstreeks 600 v.Chr.

Aan het einde van de 8e eeuw zou Liudger een kerkje hebben gesticht in Baflo. Baflo wordt zelf voor het eerst genoemd als 'Bestlon' in 945 in een lijst van bezittingen van de abdij van Fulda (oorkonde in het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe), maar zou ouder zijn dan het reeds in 885 genoemde nabijgelegen dorp Den Andel. Rond 1000 wordt het dorp 'Bahtlon' genoemd in een lijst van de goederen van het klooster van Werden en in 1221 wordt het genoemd als 'Beftlo' toen Maarhuizen als parochie werd afgescheiden van de kerk van Baflo. Het voorvoegsel beft of baft wordt vertaald als "achter" en het achtervoegsel -lo als "moerasbossen" in de betekenis "achter de moerasbossen" of misschien "de achtermoerassen". Het moeras verwijst hier naar de lager gelegen gronden ten zuiden van Baflo.

Rasquert

Het dorp ligt nagenoeg tegen de plaats Baflo aan. Het is hiervan gescheiden door het Rasquerdermaar. Over het maar ligt een brug en een hoogholtje. Vroeger lag aan zuidwestzijde van het dorp de borg Meyma (afgebroken iets na 1717, schathuis in 1819). Op het terrein hiervan verrezen later de boerderij Meyma en een burgemeestersvilla.

Warffum

Wanneer Warffum is ontstaan is niet precies bekend, maar de oudste vermelding van de naam is te vinden in de vita van de prediker Liudger (744 - 809). In de Middeleeuwen lag ten zuidoosten van Warffum de gelijknamige Johannieter commanderij Warffum. De twee Maltezer kruisen in het wapen van Warffum verwijzen naar dit klooster (zie ook de kloosterkaart Groningen).

De naam Warffum lijkt afgeleid te zijn van de woorden warf en heem. Warf is een oud Fries woord voor een volksvergadering waar recht werd gesproken. Heem is afkomstig van het Germaanse woord “ haima “, wat woning betekent. Het zwaard in het wapen van Warffum is een verwijzing naar deze plaats waar recht werd gesproken. Soms werd de naam Warffum vroeger ook wel met één 'f' gespeld, namelijk als Warfum. Warffum is met een oorspronkelijke grootte van 16 hectare de qua omvang grootste wierde van Nederland en met een hoogte van 5,75 meter ook een van de hoogste van Groningen. De wierde is een beschermd dorpsgezicht. Het dorp bezit een klein openluchtmuseum, genaamd Het Hoogeland, waarvan de huizen deel uitmaken van het dorp. Ten zuiden van het dorp ligt het kanaal het Warffumermaar. Ten noorden verbindt het Polderdiep het dorp met de Noordpolder. In het Polderdiep ligt een (voormalige) schutsluis, het Warffumerverlaat, en een keersluis genaamd de Klief of de Wachter.

Westernieland

Westernieland ligt tussen de dorpen Pieterburen en Den Andel, aan het einde van het Westernielandstermaar, die hier tot 1520 via de Hiddingezijl en de Oude Riet uitmondde in de zee. Westernieland ontstond op een kwelderwal, die rond 1350 werd bedijkt. Na de Kerstvloed van 1717 werd op anderhalve kilometer ten noorden van Westernieland een nieuwe zeedijk aangelegd. In 1811 werd ten noorden daarvan de Noordpolder aangelegd en in de jaren 1940 ontstond ten westen daarvan de Linthorst Homanpolder. Het noordelijk deel van Westernieland wordt Kaakhorn genoemd.

Den Andel

Den Andel is een agrarisch dijkdorp dat met name uit lintbebouwing bestaat. De bebouwing strekt zich uit langs de oost-westelijke richting verlopende Oude Dijk en de haaks daarop staande Streekweg naar het zuiden toe.

Den Andel wordt voor het eerst met zekerheid genoemd in een parochielijst van ongeveer 1475 als Ondel. Andel is, zoals hierboven al aangegeven, Oost-Fries voor "kweldergras" en het dorp is dan ook in eerste aanleg op de kwelders gebouwd. Ook de zeedijk bij Uithuizen (de zeeborg) werd in 1404 de Ondelsdijk genoemd. Ergens tussen de 11e en 13e eeuw werd vanuit Den Andel een dijk gelegd, die eerst westelijk liep vanaf Den Andel via Saaxumhuizen naar Oosterhuizen en vervolgens naar het zuiden via de boerderijen Den Oever, Heratema, Berum en De Greeden naar Eenrum. Deze dijk liep in Den Andel langs de Streekweg. Iets later in de 13e eeuw werd de Oude Zeedijk aangelegd. Rond de Oude Zeedijk ontstond de buurt Oudedijk en rond de Streekweg de buurt De Streek. De oude zeedijk (Oude Dijk) waaraan Den Andel lag brak door tijdens de Kerstvloed van 1717, waarbij duizenden doden vielen in de provincie en in Den Andel op de kerk na alle huizen werden weggevaagd. Na die ramp werd 1850 meter noordelijker een nieuwe dijk gebouwd. Bij het aanleggen van de nieuwe dijk werd ook de grond van de oude dijk gebruikt. Van de oude dijk resteert nu alleen nog een klein stukje iets ten oosten van Westernieland dat door stichting Het Groninger Landschap is uitgeroepen tot het kleinste natuurgebied van de provincie Groningen.

Saaksum

Saaksum is een in gave staat verkerend wierdedorp. Het is beschermd dorpsgezicht. De wierde ligt aan de rand van het dorp, aan de doorgaande weg van Aduard naar Roodehaan. Op de wierde staat de Hervormde kerk, die in 1849 werd herbouwd. Haar voorganger was een kerk die volgens een akte uit 1588 gewijd was aan de heilige Catharina van Alexandrië. Een gedenksteen beneden in de toren meldt dat deze in 1550 'ghemaket' is. In 1709 werd de toren hersteld. In 1845 werd besloten tot nieuwbouw van de kerk wegens bouwvalligheid, waarbij de toren bleef staan. De nieuwe kerk verrees in 1849. Vanaf de kerk loopt een kort kerkpad naar het dorpje dat geheel ligt langs een rondlopende weg. Ten westen ligt een andere historische wierde genaamd Englum.

Ezinge

Ezinge is het hoofddorp van het voormalige schiereiland Middag. Ezinge is bekend vanwege de opgravingen die archeoloog Albert van Giffen van de Rijksuniversiteit Groningen hier van 1923 tot 1934 heeft uitgevoerd. Hierbij zijn de resten van 85 boerderijen en 60 bijgebouwen gevonden uit de periode van 600 v.Chr tot de 5e eeuw n.Chr. Bijzonder is de vondst van de gouden zwaardknop van Ezinge uit de 7e eeuw, die vergelijkbaar is met die uit het koningsgraf van Sutton Hoo in Engeland.Tegelijk met deze opgraving werd ook het grafveld van De Bouwerd ten zuiden van Ezinge blootgelegd, waarin meerdere paardengraven werden gevonden.

Ten noordoosten van Ezinge bevindt zich de Allersmaborg waarvan het oudst nog bestaande gedeelte, de "blauwe kamer", rond 1400 gebouwd is.

Feerwerd

Feerwerd is een klein dorp in de landstreek Middag, tussen Ezinge, Garnwerd en Aduarderzijl. Het dorp ligt op een dubbelwierde, die doorsneden wordt door het Oldehoofsch kanaal. De meeste woningen staan ten noorden van dit kanaal en dateren vooral uit het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw. Deze dicht op elkaar staande bakstenen huizen met hun bijbehorende daken langs de Valgeweg, Aldringaweg en Oosterweg vormen samen het compacte oude dorpscentrum. Het hele dorp is aangewezen als beschermd dorpsgezicht.

 Ten noordwesten van het dorp ligt het Lucaspad, de oude wegverbinding naar Ezinge, die in de jaren 1930 werd verbeterd tot fietspad in opdracht van de toenmalige Ezinger burgemeester Lucas Wildervanck de Blécourt. Ten westen van het dorp liggen restanten van de stroombedding van de vroegere Middagster Riet, die onderdeel vormde van het Peizerdiep, maar na de doorbraak van de Kliefsloot rond 800 langzamerhand dichtslibde.

Garnwerd

Vroeger lag de wierde van Garnwerd op een soort schiereiland tussen het Reitdiep en het Aduarderdiep. Door kanalisatie kwam het Reitdiep vanaf 1629 dichter bij het dorp te liggen; vanaf 1631 verzorgde een veerman vanaf zijn veerhuis op de dijk de overtocht met de afgesneden boerderijen en landerijen bij de Raken, Klein Garnwerd en Alinghuizen (de Garnwerderhoek). In 1887 werd het bootveer vervangen door een pontveer uit Wierumerschouw nadat aldaar een draaibrug was gebouwd. Café Hammingh op de dijk aan het Reitdiep werd een van de bekendste gebouwen van het dorp en in de regio; het vormde een geliefd studieobject voor De Ploeg-schilders als Jan van der Zee, Johan Dijkstra en George Martens.In 1933 kwam er een brugverbinding over het Reitdiep, waardoor het veer overbodig werd. De brug over het Aduarderdiep bij Schifpot werd op 25 maart 1939 geopend.

De inwoners van het dorp hebben de bijnaam "Görtvreters". Dit voert terug op een oude legende van een scheepsjager die zich op een keer overat in een bord met gort. Het dorp heeft een eigen volkslied en een eigen vlag.

Sauwerd

Sauwerd is gebouwd rond een wierde, waar het ook zijn naam aan dankt. Bij Sauwerd stond vroeger de machtige Onstaborg, die later werd herbouwd bij Wetsinge.

Het dorp had een eigen kerk, die in 1840 wegens bouwvalligheid werd gesloopt. Tegelijkertijd werd ook de kerk in Groot-Wetsinge gesloopt. Voor beide dorpen werd halverwege, in Klein-Wetsinge een nieuw kerkje gebouwd. De contouren van de voormalige kerk zijn aangegeven op het kerkhof.

Adorp

Adorp is een wierdedorp, gelegen op de uitloper van de Hondsrug en gelegen aan een voormalige bocht (meander) van de Hunze, plaatselijk het Selwerderdiepje genoemd. Voor de naam Adorp zijn diverse verklaringen geopperd. De meest waarschijnlijkste is: dorp aan de Aa. Even ten zuiden van het dorp mondde in de middeleeuwen de Drentsche Aa uit in de Hunze. Deze is verzand nadat in 1385 bij Dorkwerd een kanaal werd gegraven.

Winsum

Het dorp bezit drie wierden, die van Winsum zelf, Bellingeweer en Obergum. Obergum wordt soms nog als een apart dorp gezien, omdat het aan de overkant van het Winsumerdiep ligt. Het heeft er ook mee te maken dat het dorp twee hoofdstraten heeft, de Hoofdstraat W en de Hoofdstraat O. W is van Winsum en O is van Obergum. De beide kernen vormen samen sinds 1982 een beschermd dorpsgezicht. De Hunze liep vroeger langs Winsum. Doordat de Fivel langzaam maar zeker steeds verder verzandde werd de handelsroute via de Hunze steeds belangrijker. Als gevolg daarvan zal al in de vroege middeleeuwen Winsum een handelsnederzetting geweest zijn.

In 1276 werd in het dorp een klooster door de dominicanen gesticht. Hoewel het in vergelijking met Aduard een betrekkelijk bescheiden vestiging was, heeft het in de zestiende eeuw dienstgedaan als vergaderplaats voor de Staten van de Ommelanden. Na de Reductie van Groningen in 1594 werd het klooster gesloten. Er resteert niets meer van, zelfs de precieze locatie is niet meer bekend.

Den Ham

De naam Den Ham zou slaan op een afgebakend (omheind) of aangeslibd stuk land, maar werd vroeger in ruimere zin ook gebruikt voor een plaats of dorpsgemeente. De vermoedelijke oude naam van Den Ham is Horham, dat in een kerkelijk register uit omstreeks 1475 voorkomt. Hor is waarschijnlijk een vervorming van 'hore', wat Oudfries voor "slijk" is. Het dorp bestond vanouds uit drie gehuchten, Altenaauw, De Knijp en Biggestaart. De Knijp en Biggestaart zijn beide ontstaan langs een oude Humsterlanddijk langs de Kliefsloot en zijn in de jaren 1920 aaneengegroeid tot het dorp Den Ham.

Ten zuiden van het dorp stroomt de Hamstertocht en liggen de oude polders Noorderham en Zuiderham (officieel het waterschap Alberdapolder), die sinds de jaren 1930 van elkaar worden gescheiden door het Van Starkenborghkanaal.

Aduard

Aduard is ontstaan rond het cisterciënzersklooster dat hier in 1192 werd gesticht. Dit klooster van Aduard groeide uit tot het grootste en invloedrijkste van de Ommelanden. Op zijn toppunt bezat het meer dan 10.000 ha aan gronden, waarvan een deel in Friesland en Drenthe.

De voornaamste reden voor de enorme bloei van het klooster was dat het de ontginning en afwatering van de woeste gronden serieus ter hand nam. De monniken groeven het Aduarderdiep, legden de Aduarderzijl (=sluis) aan en stichtten verschillende voorwerken (uithoven), de boerderijen die bij het klooster behoorden. Het klooster besloeg een groot deel van het huidige dorp, dat ooit groter was dan de toenmalige stad Groningen. Op 11 september 1580 werd het klooster grotendeels verwoest. Alleen het hospitium (de ziekenzaal), tegenwoordig in gebruik als kerk, bleef tot op de dag van vandaag bestaan. Na de sloop van het klooster kwam ook de rechtstoel van Aduard aan de provincie Stad en Lande. De redger werd door de provincie aangesteld, zijn Huis te Aduard is pas toen gebouwd en was daarmee een van de weinige borgen die niet voorkomt uit een steenhuis. Het geslacht Lewe van Aduard dankt er zijn naam aan. De borg werd in 1815 gesloopt.

De oude herberg van Aduard heeft op de nominatie gestaan om te worden gesloopt. Het werd door Geerhard en Petra Slenema gered en verbouwd tot restaurant, de "Herberg Onder de Linden". De herberg heeft een ster in de Michelin-gids.

Zuidhorn

Zuidhorn en het noordelijker gelegen Noordhorn zijn ontstaan in een gebied waar de zee vroeger af en toe over het land kwam en vruchtbaar slib afzette. De kern van beide dorpen ligt op een tot 5 meter hoge zand-keileemrug (onderdeel van de Rolderrug) van ongeveer 5 kilometer bij 1 kilometer uit de voorlaatste ijstijd (ca. 200.000 jaar geleden) die in Zuidhorn de naam De Gast draagt en die het leven hier mogelijk maakte als bescherming tegen overstromingen. De toevoeging -horn betekent hier "hoek" (van de rug). Uit opgravingen blijkt dat de eerste bewoning plaatsvond in de steentijd.

In 1338 wordt er gesproken van 'Horum'. Zuidhorn wordt in 1392 voor het eerst genoemd in verschillende oorkonden in de varianten 'Zuethorm', 'Zuedhorm', 'Suthorum' en 'Suthuru'. De namen 'Zuithoren en Noirthoren' komen voor het eerst gezamenlijk voor in een document uit 1398. Lange tijd was Noordhorn de grootste kern. Tegenwoordig worden Noord- en Zuidhorn gescheiden door het Van Starkenborghkanaal.

Noordhorn

De naam Noordhorn betekent: noordelijke hoek en is een verwijzing naar de loop van de keileemrug (garst), die werd gevormd in het Saalien en die hier een knik maakt. Op deze zandrug, die onderdeel vormt van de Rolderrug, ligt het dorp. Op een tweede knik, even ten zuiden, ontstond het dorp Zuidhorn.

De oorsprong van het dorp is onduidelijk. De enige archeologische vondst wordt gevormd door een strijdhamer. Het gebied lag lange tijd geïsoleerd door omringende moerassen, hetgeen nog versterkt werd door de uitbreiding van de Lauwerszee. Wel was er bewoning op het nabije eiland Humsterland. De oude grens tussen Noordhorn en het Humsterland werd gevormd door de Oude Riet. In de 13e eeuw werden de eerste dijken aangelegd in het gebied rond Noordhorn, waarop de eerste bewoning ontstond.

Niezijl

De naam van Niezijl verwijst naar de nieuwe zijl (zijl = sluis). Oorspronkelijk lag iets ten westen van het huidige Niezijl een zeesluis, de Bomsterzijl. Tijdens de Sint-Elisabethsvloed van 1421 bleek al dat deze sluis onvoldoende veiligheid bood. Het duurde daarna echter nog meer dan honderd jaar voordat een nieuwe sluis, Nie-zijl, werd gebouwd. Tegelijk met de bouw van de sluis werd ook het Niezijlsterdiep gegraven om de afwatering te verbeteren. In de Tachtigjarige Oorlog vormde de Bomsterschans bij Niezijl een tijdlang het enige steunpunt van de Staatsen in de provincie Groningen. Verschillende Spaanse pogingen om de schans te veroveren (onder andere vanuit Kommerzijl) mislukten in het Beleg van Niezijl (1581).

Grijpskerk

De nieuwe polders ten noorden van Sebaldeburen worden voor het eerst vermeld in 1426 als de Westerdijken. Vermoedelijk werd omstreeks 1476 een nieuwe dijk in de richting van Niezijl voltooid, die het gebied rond het huidige dorp Grijpskerk aan de zee onttrok. Een zijl (sluis) bij Munnekezijl diende voor de ontwatering. De nieuwe polder werd de Ruige Waarden genoemd: ruig betekent hier 'ruw' of 'onbebouwd'.

Kort daarna liet de stad-Groningse jonker Nicolaas Grijp hier een kapel bouwen, waarschijnlijk op zijn borgterrein. De kapel behoorde bij Sebaldeburen, maar werd al snel een volwaardige parochie, vermoedelijk omdat de kerk van Sebaldeburen te ver weg lag. Het kerkhof bleef voorbehouden aan de landeigenaren en de adel. De overigen inwoners moesten tot het begin van de negentiende eeuw hun doden op het kerkhof van de moederkerk in Sebaldeburen begraven. In 1498 had de kerk van Westerdijcke twee priesters. Nicolaas Grijp woonde in een slot ter hoogte van de huidige Jonkerslaan. Dit slot werd later bewoond door de Reitsema-familie, waardoor het bekend kwam te staan als de borg Reitsema. Deze werd echter afgebroken aan het begin van de 18e eeuw, nadat de toenmalige eigenaar de schulden niet langer kon betalen. Er was ook nog een tweede borg, genaamd Aykemaborg, die ten westen van Grijpskerk lag. Door schulden werd deze borg in 1755 gerechtelijk verkocht en afgebroken tussen 1768 (de borg) en 1771 (het schathuis).

Visvliet

Visvliet ligt aan de Groningse kant van de rivier de Lauwers. Aan de oostzijde van het dorp loopt het Visvlieterdiep (historisch: Besheersdiep). De Lauwers staat sinds de Slag aan de Boorne in 734 (toen Karel Martel de Friese hertog Poppo versloeg) bekend als een grensrivier; eerst tussen de Frankische en Friese gebieden en later tussen Groningen en Friesland. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, heeft Visvliet dus nooit tot Friesland behoord. Alleen de heerlijke rechten waren van 1578 tot 1637 in handen van de Staten van Friesland.

In de 14e of 15e eeuw werden ook twee zijlen (sluizen) gelegd: In de Lauwers bij 'Bartoleshus', dat tegenwoordig gedacht wordt te hebben gelegen bij de Gerkesbrug (naar het klooster), die in 1416 voor het eerst wordt genoemd. Een tweede latere zijl (voor het eerst genoemd in 1508) verrees aan oostzijde in het Visvlieterdiep en kreeg eveneens een brug. De zijlen werden overbodig door de aanleg van de Pieterzijl rond 1440. De zijl bij Bartoleshus werd gesloopt, maar de sluis in het Visvlieterdiep bleef nog lang bestaan. Na de aanleg van de nieuwe rijksweg Friesestraatweg in 1842 werd de brug over het Visvlieterdiep in 1858 verwijderd. Daarna verzandde het diep door slecht onderhoud steeds verder, zodat het begin 20e eeuw onbevaarbaar was geworden. Omdat de scheepvaart hier ernstige hinder van ondervond werd in 1911 het waterschap Besheersdiep opgericht dat het Visvlieterdiep weer bevaarbaar maakte, waarop het in 1915 weer werd opgeheven. Het onderhoud was sindsdien in handen van de gemeenten Grijpskerk (later Zuidhorn) en Grootegast.

Pieterzijl

Begin 15e eeuw werd de Ruigewaard bedijkt. In 1440 werd daarvoor door monniken van klooster Jeruzalem in Gerkesklooster een zijl (= sluis) gebouwd, die diende als spuisluis voor het eveneens door hen gegraven Zijldiep, een gekanaliseerde verbinding in de Lauwers, waarvan de oude loop echter nog steeds om het dorp heenloopt; de 'Oude Lauwers', die loopt langs het gehucht De Leegte. De monniken vernoemden de sluis naar de heilige Petrus. De zijl was volgens oude documenten gebouwd "an die wedde by Lambertshuse". Rondom de zijl ontstond langzamerhand een dorpje. In 1476 kwam de zijl bij het noordelijker gelegen Munnekezijl gereed en werd de zijl overbodig en vervolgens vervangen door een brug. Lange tijd vormde het een klein agrarisch dorp dat door haar ligging aan het water een bloeiende handel kende met veel ventwaar.

Munnekezijl

Munnekezijl is ontstaan in de late Middeleeuwen bij de uitwateringssluis in de Lauwers, die in 1476 door de cisterciënzer monniken van Gerkesklooster werd gebouwd. De sluis moest het ingedijkte gebied van het Munnikeoog van circa 1450 beter beschermen. De sluis werd na de bouw in hetzelfde jaar nog beschadigd door bewoners van Achtkarspelen. Waarschijnlijk was er onmin over de sluis en de gevolgen van het gebied verderop. De sluis is meerdere keren vernieuwd en heeft ook meerdere plekken gelegen. De plaatsnaam is vernoemd naar de sluis (zijl) van de monniken (munneke). In 1510 werd de plaats nog vermeld als Monicken nyem szyl. In 1573 werd het vermeld als Munckezijl, circa 1660 als munnekezyl, in 1664 als Monicke Zyl en in 1718 als Montke Zyl. Aan het eind van 16e eeuw werd er een verdedigingsschans aangelegd bij het dorp, water later de buurtschap De Schans werd.

In 1741 werd er een nieuwe sluis gebouwd die een onderdeel vormde van de verbetering van het Zijldiep en Munnekezijlsterried. Tussen de jaren 1874 en 1877 werd er een dijk van Nittershoek naar Zoutkamp aangelegd. De dijken bij Munnekezijl werden zo slaperdijken en ook de sluis had geen zeekerende functie meer.

Lauwerzijl

Langs Lauwerzijl stroomt een verbindingskanaal, genaamd het Munnekezijlsterried. Dit water mondt bij de zogenaamde Friesche sluis ten zuidwesten van Zoutkamp uit in het Lauwersmeer, waar ze uitmondt in de Zoutkamperril. Daar vloeit het water van de rivier de Lauwers samen met dat van het Reitdiep.

De naam Lauwerzijl duidt erop dat het dorp in de buurt van een sluis in de Lauwers is ontstaan. Deze sluis werd in 1754 gebouwd bij de verplaatsing van het Munnekezijlsterried en werd ergens rond 1878 weer afgebroken toen de Polder Wieringa en Nieuwe Ruigezandsterpolder werden ingedijkt met de dijk tussen Nittershoek en Zoutkamp. Rond 1878 werd ook een houten brug 100 meter westelijker van de afgebroken sluis gelegd. Ergens in de 20e eeuw is deze vervangen door een stenen brug. De huidige brug stamt uit 2004.

Kommerzijl

Kommerzijl ontstond als een gehucht (plaats zonder kerk) in het land achter zijl en dijk. In 1840 kreeg het gehucht vanwege de grote toename van het aantal inwoners van de plaats (in 1837 waren het er 237) de beschikking over een begraafplaats. In hetzelfde jaar werd ondanks protesten van molenaars uit Niezijl en Niehove een koninklijke vergunning verstrekt voor de bouw van een korenmolen in het dorp, die echter in 1934 volledig is afgebrand. In 1857 werd in het kader van een provinciaal wegenbouwprogramma voor een betere aansluiting van het Noordelijk Westerkwartier op de stad Groningen onder andere een 'kunstweg' (grindweg) aangelegd van Oldehove via Kommerzijl naar Niezijl over de bestaande kleiweg, met aan de afslag naar de Lageweg een tolhek. De gemeente verbeterde daarop zelf de weg langs de Waarddijk naar Pieterzijl.

Niehove

Niehove was onder de naam Suxwort of Suxwerd ("Zuidwierde") de hoofdplaats van het voormalige waddeneiland Humsterland. De oude radiaire wierdestructuur is nog goed te zien: midden op de wierde staat een kerk uit de 13e eeuw. Daaromheen zijn in twee cirkels de huizen van het dorp gebouwd, met de achterkant naar de velden gekeerd. Het kerkhof was tot 1830 van de straat gescheiden door een cirkelvormige gracht, die diende om de geesten op het kerkhof te houden. Vanaf de wierde lopen smalle paden (de zogenaamde kerkenpaden) naar de ringweg beneden.

De wierde van Niehove wordt al zo'n 2200 jaar onafgebroken bewoond. Nadat rond 800 de Lauwerszee was ontstaan, kwam Niehove (toen nog Suxwort) op een eiland te liggen, Humsterland. Zo'n 400 jaar later nam het aantal stormvloeden toe, waarna er een ringdijk rond Humsterland werd gelegd. Hierdoor werd het eilandkarakter van Humsterland nog versterkt. Pas vanaf 1500 werd het Humsterland door dijken met het vasteland verbonden, waarna Cisterciënzer monniken uit Aduard grote delen rond het eiland inpolderden. Het Humsterland kwam hierdoor aan het vasteland te liggen. Tegenwoordig ligt Niehove midden op het vasteland van Groningen.

Oldehove

De naam Oldehove komt voor in enkele laat-vijftiende-eeuwse kerklijsten en wordt dan gelijkgesteld met Hummerze. De streek om Oldehove wordt het Humsterland genoemd. Het lokale dorpshuis is naar deze streek vernoemd.

Oldehove zal de plek zijn geweest van de oudste kerkelijke (en wellicht ook wereldlijke) rechtstoel, waar de proost of deken van de proosdij Humsterland kon rechtspreken. Oldehove is echter geen wierdedorp (terpdorp), zoals het nabijgelegen veel oudere Niehove, dat eerder Suxwort moet hebben geheten, en waar later een tweede rechtstoel werd gevestigd. Wel ligt het op een oude kwelderwal. Het decanaat was onderdeel van het bisdom Münster, en omvatte naast het grootste deel van het Westerkwartier ook de Achtkarspelen over de Lauwers. Het gemaal De Waterwolf staat ongeveer 2 kilometer ten noordwesten van het dorp, nabij Lammerburen.